Mijn buurman heeft een grote ladekast
Waarin bewaard wordt wat bewaard moet worden,
Zichzelf de baas. En voor de goede orde
Ontdoet hij zich van alles wat niet past.
Maar in mijn bovenkamer is het vol:
Een nachthemd, dozen, halfvergane dromen,
Een beeld waarvan geen afscheid is genomen,
Beschimmeld brood, een fles, een wereldbol.
’t Is tijd dat ik een telefoontje pleeg
en mannen van de vuilnisdienst laat komen
en vraag: ruimt u mijn zolderkamer leeg,
ik zoek een bovenzaal waar ramen zijn,
bedachtzaam avondlicht kan binnenstromen,
en tafels met vers brood en klare wijn.