Het begon natuurlijk met Maarten ‘t Hart en kreeg een climax in Knielen op een bed violen van Jan Siebelink, boeken over fanatieke/orthodoxe christenen. De afgelopen tijd las ik over de reformatoren (Zwarte dauw door Rachel Visscher) de Noorse broeders (Wij dansen niet door Ellen Heijmerikx) en de pinkstergemeente (Een goede zoon door Boudewijn Smid). Nu is de evangelische gemeente aan de beurt getuige de satire Relishow van Arie Boomsma en De vader en de zoon van Peter ter Velde. Ter Velde is verslaggever bij het NOS Journaal en schreef al een boek over de missie in Afghanistan. Zijn vader is de bekende EO-presentator Feike ter Velde.
Omdat ik am meer dan 40 jaar deel uitmaak van die evangelische kringen, vind ik het interessant om er achter te komen of de inhoud van het boek overeenkomt met mijn eigen ervaringen. En dat is zeker het geval, zo erg zelfs dat ik de uitgekauwde en lange bijbelgedeeltes in dit boek op den duur heb overgeslagen. De diensten die Peter ter Velde beschrijft verlopen ongetwijfeld nog op veel plaatsen zo en ik denk de opvoeding van evangelische kinderen idem dito. Dankzij een gereformeerde vader en een moeder die heilssoldaat was, ben ik redelijk vrij opgevoed en heb niet de evangelische leer maar mijn ouders als voorbeeld genomen bij het opvoeden van onze kinderen.
Terug naar het boek. Al op jonge leeftijd lukt het hoofdpersoon Johan niet om aan de verwachtingen van zijn ouders te voldoen. Schrijnende voorbeelden van een dubbelleven op jonge leeftijd, met verborgen wereldse kleinoden, tekenen het eenzame jongetje wat wel wil maar niet echt kan geloven, in ieder geval niet op de manier die thuis van hem gevraagd wordt. Hij heeft vrienden die geloven maar ook die nergens aan doen. Zij laten hem kennismaken met de top-40 en ‘duivelse’ muziek.
Alles begint met een reünie van de middelbare school. Johan heeft een vrouw en kinderen, is voorganger in een evangelische gemeente maar vertelt zijn oud-klasgenoten iets heel anders. Kirsten, een klasgenoot die Jehova Getuige was en daar radicaal mee gebroken heeft, blijft Johan maar doorzagen over het geloof. Hij maakt een afspraak met haar en ziet haar daarna regelmatig in Amsterdam. Ook met vier anderen hernieuwt hij de vriendschap zonder daar thuis over te spreken.
De felle preken die hij in die tijd houdt, gaan over hemzelf. Johan komt in een crisis wanneer één van zijn oude vrienden de waarheid omtrent zijn dubbelleven ontdekt. Tot zijn verwondering volgt er geen veroordeling, die verwacht hij in de christelijke wereld wel want daarom heeft hij altijd gezwegen, maar willen ze hem helpen. Johan vraagt tijd om alles op een rijtje te krijgen. Broer Simon wil bemiddelen bij een gesprek tussen vader en zoon. Simon weet precies te omschrijven waar Johan zijn hele leven tegenaan loopt en dat bevreemdt Johan. ‘Ik beschreef mezelf’, zegt Simon aan het einde van het goed verlopende eerste gesprek.
Geen wrok in dit boek maar zoeken naar dat wat toch bindt en de ander een kans blijven geven. Vader neemt die kans met beide handen aan en verzoent zich met zijn zoon. Johan gaat enkele jaren het land uit maar blijft financieel voor zijn vrouw en kinderen zorgen. Eenmaal terug wil hij zichzelf zijn en moeten anderen dat accepteren. Of dat iedereen lukt na de aangebrachte pijn laat dit boek open. En dat is dan wel zo realistisch en niet evangelisch.